naar de startpagina

nl.taal
Vademecum  
 

naslag > vademecum nl.taal > begrippen uit de spraakkunst
  
Begrippen uit de spraakkunst
Algemeen

In de spraakkunst worden veel vakwoorden gebruikt. We brengen de voornaamste hier bij elkaar met een klein woordje uitleg en voorbeelden. De begrippen zijn alfabetisch geordend.

 

 a 

 

 

 

 

 

 

 

 

  • aantonenende wijs -> wijs
  • aanvoegende wijs -> wijs
  • aanwijzend voornaamwoord
    een voornaamwoord dat heel nadrukkelijk verwijst naar een ander woord
    dit, dat, deze, die, zulk, zo'n, gene, gindse, datgene, diegene, diegenen, zelf
  • achtervoegsel
    suffix; een morfeem dat achter een grondwoord wordt geplaatst om een nieuw woord te vormen
    kogel-s, macht-ig, kijk-er
  • actief
    een zin staat in de actieve vorm als de situatie die hij uitdrukt wordt weergegeven vanuit het perspectief van het logisch onderwerp (agens), zodat dit samenvalt met het grammaticaal onderwerp
    Vandaag vieren we feest - De automobilist reed een fietser aan
  • adjectief -> bijvoeglijk naamwoord
  • affix
    toevoegsel; gebonden morfeem dat wordt toegevoegd aan een grondwoord om een nieuw woord of een nieuwe vorm van een woord (verbuiging, vervoeging) te krijgen
  • afleiding
    een woord dat gevormd is uit een bestaand woord, meestal door het toevoegen van voorvoegsels en/of achtervoegsels
    koel > koelte, verkoeling
  • antecedent
    datgene waarnaar wordt verwezen door een voornaamwoord of een voornaamwoordelijk bijwoord
    het pad dat naar het huis leidt - het boek waarover we spraken
  • antoniem
    woord dat een tegengestelde betekenis heeft t.o.v. een ander
    dood / levend - groot / klein

 

  • bedrijvende vorm -> actief
  • bepaling
    een zinsdeel dat geen onderwerp, gezegde of voorwerp is
  • bepaling van gesteldheid
    een bepaling die tegelijkertijd slaat op het gezegde en op het onderwerp of het lijdend voorwerp
    Hij verft de deur groen - Ik vond het boek maar niks
  • betrekkelijk voornaamwoord
    een voornaamwoord dat het begin van een bijvoeglijke bijzin inleidt en deze met het antecedent verbindt
    die, dat, wie, wat
  • bezittelijk voornaamwoord
    een voornaamwoord dat een bezitsrelatie uitdrukt
    • bijvoeglijk gebruikt
      mijn jas - uw boek
    • zelfstandig gebruikt
      dit is de mijne - daar ligt het uwe
  • bijstelling
    een speciale bijvoeglijke bepaling die achter het zelfstandig naamwoord wordt geplaatst (altijd tussen komma's) en daaraan een toegevoegde omschrijving geeft
    Onze gymleraar, een echte tiran, vindt dat we harder moeten werken
  • bijvoeglijk naamwoord
    woord dat bijzonderheden geeft over een zelfstandig naamwoord
    een hoge boom - diamantharde boorkop
  • bijvoeglijke bepaling
    een bepaling bij een zelfstandig naamwoord of zelfstandig voornaamwoord waarmee ze één geheel vormt; ze is dus nooit een zelfstandig zinsdeel maar maakt deel uit van een ander zinsdeel
    De hond van de buurvrouw is overreden
  • bijvoeglijke bijzin
    bijzin met de functie van een bijvoeglijke bepaling, hij is geen zelfstandig zinsdeel maar maakt deel uit van een ander zinsdeel
    De vraag waar dit toe dient, kan ik niet beantwoorden
    • beperkende bijvoeglijke bijzin
      De man die dit probleem oplost, wordt beloond
    • uitbreidende bijvoeglijke bijzin
      Mijn zus Katrien, die gisteren jarig was, kreeg een nieuwe fiets
  • bijwoord
    een woord dat het werkwoord nader bepaalt
    enkele soorten:
    • graad: tamelijk, erg
    • modaliteit: kennelijk, mogelijk
    • plaats: hier, elders
    • tijd: dadelijk, nu
  • bijwoordelijke bepaling
    een zinsdeel dat een nadere omschrijving geeft van de handeling die wordt uitgedrukt
    De man wachtte op de stoep - Toen viel de jongen flauw
  • bijwoordelijke bijzin
    een bijzin die de functie heeft van een bijwoordelijke bepaling
    Toen iedereen was gaan zitten werd de vergadering geopend
  • bijzin
    een zin die als zinsdeel voorkomt in een samengestelde zin; in een bijzin staat de persoonsvorm aan het einde
    De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet
    Volgens de functie die de bijzin heeft, kennen we:
    onderwerpszin - gezegdezin - lijdend voorwerpszin - meewerkend voorwerpszin - voorzetselvoorwerpszin - bijvoeglijke bijzin - bijwoordelijke bijzin

 

 

  • deelwoord
    bijzondere vorm van het werkwoord
    • onvoltooid (tegenwoordig) deelwoord: stelt de handeling van het werkwoord voor als in gang zijnde
      een vallend blad
    • voltooid (verleden) deelwoord: stelt de handeling voor als reeds gebeurd
      een gevallen blad

 

  • enkelvoudige zin -> zin

 

 

  • gebiedende wijs -> wijs
  • genitief
    naamval die een bezit of afhankelijkheid uitdrukt
    Berts fiets - de naam des Vaders
  • genus
    grammaticaal geslacht; zelfstandige naamwoorden worden in vormcategorieën ingedeeld die aanduiden hoe ze worden verbogen of hoe ze met lidwoorden en voornaamwoorden kunnen worden verbonden
    Traditioneel telt het Nederlands drie geslachten, maar veel sprekers onderscheiden er nog maar twee: de-woord en het-woord (volgens hun combinatie met het lidwoord)
  • getal
    de vorm van een woord die aangeeft of er sprake is van één of meer eenheden
    • enkelvoud: als er slechts één eenheid betrokken is
      kind - kijkt
    • meervoud: als het over meer eenheden gaat
      kinderen - kijken
  • gezegde
    • tegenwoordig algemeen:
      dat wat van het onderwerp gezegd wordt
      daarbij worden twee soorten onderscheiden:
      • naamwoordelijk gezegde: een koppelwerkwoord met een naamwoord
        Jan is gek - Dat lijkt me eigenlijk een grote vergissing
      • werkwoordelijk gezegde: een of meer werkwoorden
        Zij moeten opletten - Zullen we een eindje door het park lopen?
    • traditioneel en in deze betekenis gebruikt in College Maaseik:
      de naamwoordelijke toevoeging die m.b.v. een koppelwerkwoord verbonden is met het onderwerp
      Jan is gek - Zij lijken me verstandig - Dat bleek een vergissing
  • grondwoord
    een woord waarvan andere woorden worden gevormd door afleiding of samenstelling

 

  • hoofdtelwoord -> telwoord
  • hoofdzin
    een zelfstandige zin, die dus op zichzelf kan staan; meer hoofdzinnen kunnen worden verbonden tot één enkel samengestelde zin; in tegenstelling tot een bijzin staat de persoonsvorm op de gewone plaats, net na het onderwerp
    Hij luistert naar muziek.
    Zij speelt fluit maar hij speelt viool (2 hoofdzinnen)
  • hulpwerkwoord
    een werkwoord waarvan de persoonsvorm samen met een zelfstandig werkwoord het werkwoordelijk gezegde vormt
    • van tijd: gebruikt om een voltooide (hebben, zijn) of toekomende (zullen) tijd te vormen
    • van lijdende vorm: gebruikt om het passief te vormen; worden, zijn
    • van modaliteit: om mogelijkheid, wenselijkheid of waarschijnlijkheid uit te drukken; kunnen, zullen, mogen, moeten, willen, laten, durven, dienen, behoren en (be)hoeven

 

  • imperatief -> wijs
  • indicatief -> wijs
  • inversie
    wanneer de gewone volgorde (onderwerp - persoonsvorm) omgekeerd wordt
    Kwam hij ook in aanmerking?

 

  • klinker
    een spraakklank die in de mond wordt gevormd en waarbij de lucht niet wordt gestuit of onderbroken
    • gedekte klinker: wordt afgebroken door een medeklinker die erop volgt; stekker
    • lange klinker: geeft de indruk langer te duren dan andere; beer
  • koppelwerkwoord
    een werkwoord dat een onderwerp verbindt met een gezegde; koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven

 

  • letter
    een schriftteken dat we gebruiken om een klank of klankgroepje voor te stellen
  • lettergreep
    een groepje klanken (een klinker gevolgd of voorafgegaan door één of meer medeklinkers) dat bij het spreken een eenheid vormt
    • gesloten lettergreep
      eindigt op een medeklinker
      kan-toor
    • open lettergreep
      eindigt op een klinker
      ka-baal
  • lidwoord
    een woord dat als voorbepaling verbonden wordt met een zelfstandig naamwoord
    • bepaald lidwoord: de en het
    • onbepaald lidwoord: een
  • lijdende vorm -> passief
  • lijdend voorwerp
    het zinsdeel dat de handeling ondergaat
    Bert repareert de fiets

 

  • medeklinker
    een spraakklank waarbij de luchtstroom op een bepaalde manier wordt belemmerd
    • indeling volgens "stem"
      • stemhebbende medeklinker: met trilling van de stembanden
        b - d - g - v ...
      • stemloze medeklinker: zonder trilling van de stembanden
        p - t - h - f ...
    • indeling volgens articulatieplaats, o.a.
      • bilabiaal: gevormd met de twee lippen
        p - b
      • dentaal: gevormd met de tanden
        t - d 
  • meewerkend voorwerp
    het zinsdeel dat participeert aan de handeling, meestal ingeleid door de voorzetsels aan of voor, die kunnen worden weggelaten
    Geef het pakje aan mij - Geef het mij
  • modaliteit
  • morfeem
    kleinste taalelement met een vaste vorm en een vaste betekenis
    • gebonden morfeem
      een morfeen dat niet op zichzelf kan voorkomen, maar alleen als onderdeel van een woord (dus: een affix)
      tafels - stoeltje - blauwig
    • vrij morfeem
      een morfeem dat als zelfstandig woord kan voorkomen (let op: morfeem <> lettergreep)
      tafel - stoel - blauw

 

  • naamval
    bepaalde vormcategorie van een naamwoord die de syntactische functie van het naamwoord aangeeft. In het Nederlands worden naamvallen alleen nog voor voornaamwoorden gebruikt, in de meeste andere gevallen maakt de plaats in de zin duidelijk wat de functie van een woord is.
    De bekendste naamvallen zijn de nominatief (onderwerpfunctie), de accusatief (lijdend voorwerpsunctie), de datief (meewerkend voorwerpfunctie) en de genitief (bezitsrelatie).
  • naamwoord [onvolledig]
  • nevenschikking [onvolledig]
  • nomen -> zelfstandig naamwoord

 

  • onderschikking [onvolledig]
  • onderwerp [onvolledig]
    • logisch onderwerp
    • grammaticaal onderwerp
  • overtreffende trap -> trappen van vergelijking

 

  • passief
    een zin staat in de passieve vorm als het grammaticaal onderwerp samenvalt met het logisch voorwerp dat de handeling ondergaat, m.a.w. het lijdend voorwerp van de actieve zin wordt onderwerp van de passieve zin
    De fiets werd gerepareerd door Bert
  • persoon
    een vorm van voornaamwoord of persoonsvorm die verwijst naar de betrokken "partij"
    Het Nederlands onderscheidt drie van dergelijke categorieën:
    • eerste persoon: de spreker(s); ik - wij
    • tweede persoon: de aangesprokene(n); jij - u - jullie
    • derde persoon: de buitenstaander(s); hij - zij - het - zij
  • persoonlijk voornaamwoord
    een voornaamwoord dat naar een identificeerbare persoon (of zaak) verwijst
    ik, jij ...
  • persoonsvorm [onvolledig]
    de werkwoordvorm waarin de tijd wordt uitgedrukt van de handeling die in de zin beschreven wordt; ze komt in persoon en getal overeen met het grammaticaal onderwerp
  • positief -> stellende trap
  • prefix -> voorvoegsel
  • pronomen -> voornaamwoord

 

 

  • telwoord
    een woord dat een aantal of rangorde aanduidt
    • hoofdtelwoord: aantal; drie, zeventien
    • rangtelwoord: rangorde; derde, honderdste
  • tijd
    de vorm van het werkwoord die de uitgedrukte handeling situeert in de tijd (t.o.v. het ogenblik van spreken)
    • tegenwoordige tijd: presens; drukt "heden" uit, d.w.z. de gebeurtenis valt gelijktijdig met het spreekmoment
    • toekomende tijd: futurum; drukt "toekomst", d.w.z. de gebeurtens valt na het spreekmoment
    • verleden tijd: imperfectum; drukt "verleden" uit, d.w.z. de gebeurtenis valt voor het spreekmoment
  • trappen van vergelijking [onvolledig]
    • stellende trap
    • vergrotende trap
    • overtreffende trap
  • tussenwerpsel
    een uitroepend of geluidnabootsend woord dat als zin gebruikt kan worden maar niet verbonden kan worden met andere woorden of zinsdelen
    Hallo, ben je al wakker? - Ach, het geeft niet.

 

  • verbuiging
    de vormverandering die een naamwoord of voornaamwoord ondergaat onder invloed van genus, getal en naamval
  • vergrotende trap -> trappen van vergelijking
  • vervoeging
    de vormverandering die het werkwoord ondergaat onder invloed van persoon, getal, tijd en wijs
  • vocaal -> klinker
  • voegwoord
    een woord dat woorden, woordgroepen of zinnen verbindt
    • nevenschikkend voegwoord: verbindt gelijkwaardige woorden of zinnen
    • onderschikkend voegwoord: verbindt een hoofdzin met een bijzin
  • voornaamwoord
  • voornaamwoordelijk bijwoord [onvolledig]
  • voorvoegsel
    prefix; een morfeem dat voor een bestaand woord wordt geplaatst om een ander woord te vormen
    bekijken - onmogelijk - intolerant
  • voorwerp
    een zinsdeel dat personen of zaken aanduidt die nauw betrokken zijn bij de handeling die het werkwoord uitdrukt
  • voorzetsel
    een woord dat samen met een zelfstandig naamwoord, of met een zelfstandig voornaamwoord of telwoord een bepaling vormt
    de auto van de vertegenwoordiger (bijvoeglijke bepaling)
    hij ging met de auto (bijwoordelijke bepaling)
    hij kocht een auto voor haar (meewerkend voorwerp)
    zij is trots op haar nieuwe auto (voorzetselvoorwerp)
  • voorzetselvoorwerp
    een voorwerp dat wordt voorafgegaan door een voorzetsel dat vast verbonden is met een bepaald werkwoord
    Hij stond niet stil bij die mogelijkheid
  • vragend voornaamwoord
    een voornaamwoord dat vraagt om een nadere bepaling van een persoon of zaak
    welke, wat, wie ...

 

  • wederkerend voornaamwoord
    een voornaamwoord waarmee een (lijdend of meewerkend) voorwerp wordt aangeduid dat hetzelfde is als het onderwerp
    Hij heeft zich gesneden - Ik heb mezelf geholpen
  • wederkerig voornaamwoord
    een voornaamwoord dat aangeeft dat de relatie wederkerig is
    Ze hebben elkaar nooit gezien
  • werkwoord
    een woordsoort die een "doen", "zijn" of "worden" uitdrukt (vaak aangeduid als "handeling")
  • wijs
    een vorm van het werkwoord die aanduidt hoe de zin zich volgens de spreker verhoudt tot de werkelijkheid, die m.a.w. de modaliteit uitdrukt
    • aantonende wijs: indicatief; om een werkelijkheid uit de drukken
      Het is stil
    • aanvoegende wijs: conjunctief; om een niet-werkelijkheid uit te drukken (wens)
      Moge het stil worden
    • gebiedende wijs: imperatief; om een bevel uit te drukken
      Wees stil
  • woordsoort
    de woorden worden ingedeeld in categorieën, op basis van hun betekenis en hun gebruik (hoe ze in een zin kunnen voorkomen); we onderscheiden tien categorieën:
    zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord - telwoord - werkwoord - lidwoord - voornaamwoord - bijwoord - voorzetsel - voegwoord - tussenwerpsel

 

  • zelfstandig naamwoord
    nomen; substantief;
  • zin
    een geheel van woorden dat qua syntaxis een afgrond geheel vormt, d.w.z. in principe met een onderwerp en een persoonsvorm; de zinsdelen moeten in een bepaalde volgorde staan en eventueel in een bepaalde vorm (verbuiging, vervoeging)
    zie ook -> bijzin, hoofzin
    • enkelvoudige zin: een zin met slechts één onderwerp en persoonsvorm
      Bert koopt een fiets
    • samengestelde zin: een zin die bestaat uit meer zinnen die verbonden zijn
  • zinsdeel
    een woord of woordgroep die een syntactische functie heeft; we kennen volgende functies:
    onderwerp, gezegde, voorwerpen en bepalingen