|
familieroman
-
Roman waarin de lotgevallen van een heel gezin of
van een hele familie (soms van enkele generaties daarvan) worden
beschreven. Sommige familieromans groeien uit tot sociale romans,
doordat zij het karakter van de familieroman overstijgen, bijv.
omdat ze de hele sociale context van zo'n familie in de beschrijving
betrekken.
-
Voorbeeld: Thomas Mann Die
Buddenbrooks - John Galsworthy The
Forsyte Saga -L. Couperus De
boeken der kleine zielen
feuilletonroman
-
Roman die geschreven en/of gepubliceerd wordt als
feuilleton, d.w.z. in afleveringen die regelmatig in een dag- of
weekblad - vaak in een speciaal kader - worden opgenomen. De meeste
schrijvers van feuilletonromans houden rekening met de
publicatiewijze door ervoor te zorgen dat elke aflevering de lezer
ertoe aanzet ook het vervolg te lezen.
-
Voorbeeld: C. Dickens The Pickwick papers -
A. Dumas De graaf van Monte-Christo
geestelijk drama
-
Verzamelnaam voor middeleeuwse en laatmiddeleeuwse
toneelstukken (rederijkerstoneel) met een uitgesproken religieuze
inhoud en thematiek, die tot doel hebben het publiek aan te sporen
om een christelijk leven te (gaan) leiden.
-
Voorbeeld: heiligenspel - mirakelspel - moraliteit -
mysteriespel
geestelijke epiek
-
Verzamelnaam voor middeleeuwse verhalende teksten
met een uitgesproken religieuze inhoud en thematiek, die tot doel
hebben het publiek aan te sporen om een christelijk leven te (gaan)
leiden. De geestelijke epiek bestaat eigenlijk niet uit epische
teksten (epiek) in de strikte zin van het woord, maar uit werken die
als epische teksten in paarsgewijs rijmende versregels geschreven
zijn: bij epiek denken wij al gauw aan fictie, terwijl bijv.
heiligenlevens voor het middeleeuwse publiek geen fictie maar feit
waren. Eigenlijk bevinden zij zich daarom in het grensgebied tussen
epiek en didactiek.
-
Voorbeeld: heiligenleven
geestelijke lyriek
-
Verzamelnaam voor lyriek met een uitgesproken
religieuze inhoud en thematiek.
-
Voorbeeld: christuslied, Marialied, kerstlied,
paaslied
geuzenlied
-
Oorspronkelijk was het geuzenlied een strijd- of
historielied uit de periode van de Tachtigjarige Oorlog, gewoonlijk
anoniem vervaardigd in kringen van de rederijkers. Toen de
vrijheidsstrijd ook een antikatholiek karakter kreeg, stelde het
geuzenlied, vaak als spotlied, zich in dienst van de hervorming.
-
Voorbeeld: Slaet opten trommele, Wilhelmus
gothic novel
-
Ook: gotische roman.
-
Roman waarin voor de lezer een wereld van angst en
wreedheid wordt opgeroepen, vaak met middelen die men voor
middeleeuws hield. Het decor voor deze fictie werd gevonden in
middeleeuwse kastelen of kloosters (het gotische aspect), of in
afgelegen landhuizen. Er wordt gebruik gemaakt van bovennatuurlijke
gegevens als geesten, spoken, mystieke gaven en geheimzinnige
verdwijningen, die soms (achteraf) een natuurlijke verklaring
krijgen. Vaak ook wordt een scherp contrast getekend tussen een
mooie, onschuldige, meestal godsdienstige jonge vrouw en iemand die
haar in zijn macht heeft: een boosaardige, lelijke en vaak wrede
kasteelheer, monnik, pseudo-geleerde enz.
-
Voorbeeld: H. Walpole Castle of Otranto - A.
Radcliffe The Mysteries of Udolpho
griezelverhaal
-
Ook: gruwelverhaal, horrorstory.
-
Verhaal dat erop gericht is de lezer een
gewaarwording van beklemmende dreiging en angst te bezorgen.
Griezelverhalen spelen zich af in een macabere sfeer en maken
gebruik van gegevens uit de wereld van het bovennatuurlijke (magie,
mystiek) en het bijgeloof (monsters, spoken, vampiers). Het decor is
meestal een nevelig landschap, een oud kasteel, een verlaten
landhuis of klooster in een afgelegen en sombere streek. Ook de
nacht, speciaal het middernachtelijk uur, speelt een grote rol.
Het griezelverhaal vertoont een nauwe verwantschap met de gothic
novel, waarin vooral middeleeuwse elementen zijn opgenomen en
waarin het thema van ‘the beauty and the beast’ een rol speelt:
een mooie jonge vrouw die in de macht is geraakt van een lelijke en
gevaarlijke zonderling, meestal een kasteelheer of een monnik.
-
Voorbeeld: M. Shelley Frankenstein
- R.L. Stevenson The
strange case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde - B.
Stoker Dracula
haiku
heiligenleven
historische roman
-
Subgenre van de roman, waarvan het hoofdbestanddeel
van de stof ontleend is aan een periode die voor de auteur ervan tot
het verleden behoort. Men maakt onderscheid tussen romans waarin het
verleden slechts tot decor dient (17e- en 18e-eeuwse avonturenromans
of liefdesromans, neoromantische romans) en romans die in navolging
van Scotts Waverley-romans een beeld pogen op te roepen van
een exact gesitueerd verleden, veelal op grond van gegevens ontleend
aan de wetenschappelijke geschiedschrijving. Daarbij is de couleur
locale van essentieel belang. Dit laatste type historische romans
beleefde in heel Europa in de 19e eeuw een grote bloei en het
behoort dan ook tot de typerende verschijnselen van de romantiek.
-
Voorbeeld: W. Scott Waverley - L. Couperus Iskander
- H. Conscience De Leeuw van Vlaanderen
hoofse roman
-
Verhaal waarin het centrale thema de hoofsheid is.
Hoofsheid is een sociale gedragscode, die er op gericht is
individuen in harmonie te laten samenleven; enerzijds door het
vermijden van irritaties, anderzijds door het naleven van strenge
spelregels in het maatschappelijk verkeer.
-
Voorbeeld: Brits-Keltische
roman - Arthurroman -
klassieke roman - oosterse roman
ideeëndrama
-
Een drama waarin een bepaalde idee, meestal van
wereldbeschouwelijke aard, centraal staat. Die idee beheerst de
persoonlijke lotgevallen van de personages. Volgens sommigen is het
klassieke drama altijd ook een ideeëndrama.
-
Voorbeeld: H.R. Holst De opstandelingen
imaginair reisverhaal
-
Een reisverhaal dat de indruk wekt op reële
gebeurtenissen te berusten, maar in werkelijkheid fictie is. De
meeste imaginaire reisverhalen gaan terug op authentieke
reisjournalen uit de 16e en 17e eeuw, maar worden in de 18e eeuw
vooral geschreven om de lezer in contact te brengen met verlichte
ideeën over religie, opvoeding, staatkunde enz. Het is de bedoeling
de lezer te confronteren met andere opvattingen uit een ‘andere’
wereld, om hem daardoor kritischer t.o.v. eigen opvattingen of
toleranter t.a.v. vreemde standpunten te maken. Het genre kende in
het begin van de 18e eeuw een grote bloei.
-
Voorbeeld: D. Defoe Robinso Crusoe - J. Swift
Gulliver's travels
kaderverhaal
-
Ook: kadervertelling, raamvertelling.
-
Vertelling waarvan de fictieve vertelsituatie het
kader vormt waarin één of meer verhalen zijn ingebed. Er is dus
een vertelsituatie waarin personages verschillende, soms
samenhangende, verhalen vertellen.
-
Voorbeeld: Boccaccio Decamerone - G. Chaucer The
Canterbury Tales - Verhalen van 1001 nacht
Karelroman
-
Ook: Frankische roman.
-
Overkoepelende benaming voor de 13e- tot en met
16e-eeuwse Middelnederlandse vertalingen, bewerkingen en navolgingen
van Oudfranse chansons de geste.
Centraal in deze ridderromans staat de figuur van Karel
de Grote (742-814). De voornaamste thema's zijn: 1) de trouw
aan de vorst (bijv. Karel ende Elegast);
2) de strijd tegen de Saracenen (bijv. het Roelantslied);
3) het kruistochtideaal (bijv. de Riddere
metter Swane); 4) de trouw aan de familie en de eer van
het geslacht (bijv. de Roman der Lorreinen);
5) de feodale conflicten tussen ofwel leenheer en leenman, ofwel
leenmannen onderling (bijv. Renout van
Montalbaen).
-
Voorbeld: zie boven
kerstspel
-
Religieus toneelspel, ontstaan in de Middeleeuwen
door uitbeelding van de kerkelijke beurtzangen van de kerstliturgie.
Het spel speelt zich af rond Jezus' kribbe met Maria en Jozef, het
bezoek van de drie koningen en de aanbidding van de herders.
-
Voorbeeld: Hessische kerstspel
klassieke drama
-
Het toneel - tragedie, komedie, tragikomedie - dat
gebaseerd is op het toneel van de Grieken en Romeinen, en vooral
inde renaissance ee, grote bloei kent.
-
Voorbeeld: Vondel Lucifer
knittelvers
-
Een dichtregel met eindrijm maar die geen
regelmatige verslengte of metrum hebben. De indruk van
onbeholpenheid die dit soort poëzie opwekt, is meestal bewust
gewild door de auteur om een komisch effect te krijgen.
-
Voorbeeld: G. van de Linde Jz Gedichten van de
schoolmeester
kortverhaal
-
Ook: short story.
-
Een verhaal van beperkte omvang. Het onderscheid
zich van andere verhaalsoorten bijv. door het feit dat er geen
nevenintriges zijn, de vertelde tijd zeer kort is en de plot vaak
eindigt met een onverwachte wending.
-
Voorbeeld: R. Dahl - H.P. de Boer
kreeftdicht
legende
-
Een verhaal rond het leven van een heilige, een
martelaar, Christus of Maria. In tegenstelling tot een hagiografie
behandelt de legende maar een bepaalde periode uit het leven van de
heilige (bekering, marteldood, wonder). Zij lijkt op de
niet-religieuze sage.
-
Voorbeeld: De kaartridder van Heppeneert
limerick
-
Een puntdicht van vijf regels met het rijmschema
aabba. Behalve door het rijm zijn de verzen ook door het ritme in
twee groepen verdeeld. De verzen 1, 2 en 5 hebben drie heffingen,
vaak anapestisch of amfibrachisch, de verzen 3 en 4 twee heffingen.
De inhoud is altijd humoristisch. De eerste regel bevat vaak een
plaatsaanduiding. De schrijver permitteert zich vaak grote taal- en
versvrijheid.
-
Voorbeeld: John O'Mill
luisterspel
-
Ook: hoorspel.
-
Soort drama dat uitsluitend bedoeld is om door de
radio te worden uitgezonden. Om de visuele mogelijkheden van het
toneelstuk te vervangen maakt het veelvuldig gebruik van
sfeerscheppende geluidseffecten zoals muziek, achtergrondgeluiden en
geluidsimitaties.
-
Voorbeeld: D. Thomas Under Milk Wood
Mariaspel
-
Aanduiding voor ieder spel (toneelstuk) waarin een
gebeurtenis uit het leven van Maria centraal staat. Het kan daarbij
handelen om een mirakelspel of een mysteriespel.
-
Voorbeeld: De bliscappen
van Maria
memoires
-
Werk waarin een auteur terugblikt op (een deel van)
zijn leven en dat beschrijft, samen met zijn gevoelens en zijn
oordelen daarover. De autobiografie
is meer gericht op de auteur zelf, terwijl memoires vooral
gerichtkunnen zijn op bepaalde gebeurtenissen waarvan hij
getuige geweest is, maar waarbij ook anderen dan de auteur zelf
centraal gestaan hebben.
-
Voorbeeld: L. van Deyssel Gedenkschriften - A.
Romein-Verschoor Omzien in verwondering
minnedicht
-
Ook: minnelied.
-
Hoofse lyriek uiit de 12e en 13e eeuw die de zuivere
(platonische) liefde als onderwerp heeft. Volgens deze strikte
opvatting wordt het minnelied gekenmerkt door de dienst aan een
geliefde, die als een onbereikbaar ideaal wordt voorgesteld, en door
de verheerlijking van die liefdesdienst, zonder dat het verlangen
van de minnaar vervuld wordt. De verhouding tussen de man en de
aanbeden vrouw vertoont karakteristieken van feodale
gezagsverhoudingen. Deze fictieve dienstverhouding tot de vrouw is
zonder hoop, want de vrouw is onbereikbaar. De minnaar wordt door de
liefdesdienst gelouterd en geadeld. De vrouw is niet zozeer een
vrouw van vlees en bloed als wel het geïdealiseerde vrouwelijke.
mirakelspel
- Middeleeuws toneelstuk (geestelijk drama)
waarin de zondeval van een mens centraal staat. Vaak wordt een
zondaar op miraculeuze wijze gered door de tussenkomst van Maria (Marialegende)
of een heilige.De termen mirakelspel en mysteriespel worden ook wel
zonder duidelijk onderscheid gebruikt voor alle toneel waarin
heiligen worden opgevoerd of bijbelse onderwerpen aan bod komen. Het
mirakelspel behandelt echter een wonder, een mysteriespel
is een geloofsgeheim, waarin het voorkomen van wonderen niet
noodzakelijk, maar wel mogelijk is.
- Voorbeeld: Mariken van Nieumeghen
misdaadroman
-
Roman waarin het oplossen van de vraag naar de dader
van een misdrijf, meestal een moord, door speurwerk van de politie
of een (privé)detective centraal staat. Soms ook is de dader van
het misdrijf aan de lezer vanaf het begin van de roman bekend, maar
moet hij nog als zodanig ontmaskerd worden door de detective of
politieman, wat vaak een vorm van dramatische ironie oplevert. Tot
de misdaadromans behoren de detectiveroman
of speurdersroman, de politieroman en de dossierroman.
Om hun spanning worden misdaadromans vaak tot de s gerekend.
-
Voorbeeld: G. Simenon Maigret-reeks - R.
Chandler
moraliteit
-
Laatmiddeleeuws didactisch toneelstuk, vaak met een
vraagstuk van morele of zedelijke aard tot onderwerp. De moraliteit
is beïnvloed door het geestelijk drama, maar is
wereldser van aard; ook andere dan religieuze onderwerpen worden
behandeld, meestal wel op stichtelijke wijze. Het begrip moraliteit
wordt in het algemeen gebruikt voor die stukken uit de 15e en 16e
eeuw waarin, in tegenstelling tot het mysteriespel
en het mirakelspel, geen bijbelse figuren of
heiligen optreden. Het onderwerp wordt dikwijls gevormd door een
spreuk of gezegde (zin). Kenmerkend voor de moraliteit is het
optreden van allegorische figuren, meestal personificaties van bijv.
deugden en ondeugden die strijd leveren om de ziel van de
(allegorische) hoofdpersoon.
-
Voorbeeld: Den Spieghel der
Salicheyt van Elckerlijc
musical
-
Zangspel dat zich aan het eind van de 19e eeuw
ontwikkelde uit de operette, de komische opera en de vaudeville. De
musical is een muzikale komedie waarin op ironische wijze een vaak
literaire stof is verwerkt tot een combinatie van toneel, muziek,
zang en dans in een samenhangend verhaal. Een belangrijk element is
het show-karakter ervan, dat vooral tot uiting komt in de
aankleding, de decors en de balletten. Kent meestal een happy end.
-
Voorbeeld: Loewe My fair lady - Bernstein West
Side story
muziekdrama
-
Toneelstukken en andere dramatische werken waarin
gemusiceerd en gezongen wordt.
-
Voorbeeld: opera, operette, musical
mysteriespel
-
Middeleeuws geestelijk toneelstuk (geestelijk
drama). Meestal wordt de term gereserveerd voor een spel dat
gebaseerd is op een geloofsgeheim (mysterie) uit het Oude of Nieuwe
Testament. Het mysteriespel wordt beschouwd als de oudste
vertegenwoordiger van het middeleeuws geestelijk toneel. Vaak treden
er duivels in op, als verleiders tot het kwaad.
-
Voorbeeld: Bliscappen
van Maria
mythe
-
Term uit de genreleer voor een verhaal waarin
(niet-christelijke) godsdienstige elementen een rol spelen. Vaak
behandelen mythen de invloed die goden en demonen op de mens hebben,
en ze verklaren op die manier allerlei verschijnselen die voor de
mensen van vroeger onverklaarbaar waren. Er wordt een onderscheid
naar inhoud gemaakt tussen: 1) mythen die het ontstaan van goden,
mensen, de wereld of het hiernamaals beschrijven; 2) symbolische
mythen, die een levensles of een algemene waarheid illustreren; 3)
aetiologische of verklarende mythen, die natuurverschijnselen, of
riten en tradities waarvan de betekenis niet (langer) duidelijk is,
verklaren.
|