naar de startpagina

nl.lit
Vademecum  
 

naslag > vademecum nl.literatuur > toneeltechniek
  
Toneeltechniek

Een toneelschrijver beschikt over veel minder mogelijkheden dan een schrijver van verhalen. De laatste be-schrijft en de lezer probeert het beschrevene te ver-beelden. En de menselijke fantasie kent weinig grenzen. Maar de eerste moet er rekening mee houden dat acteurs moeten kunnen uit-beelden wat hij neer-schrijft. En daarbij komen heel wat praktische beperkingen kijken.
Daarom zijn er veel verschillen tussen een verteld verhaal (epiek) en een gespeeld verhaal (dramatiek).

drama - tragedie - komedie - klucht
personages - structuur
bodebericht - eenheden - katharsis - monoloog

 

 

 

 

 

 

 

drama
  • drama = toneelstuk
    een tekst die de uitbeelding van een menselijk conflict brengt door woord (dialoog) en gebaar (actie), en die bedoeld is voor opvoering (door acteurs).
  • tragedie
    • algemeen wordt een tragedie omschreven als toneelstuk waarin de lotgevallen van een hooggeplaatst persoon op verheven wijze worden uitgebeeld en waarvan de handeling meestal leidt tot de ondergang van de held, ofwel door oppermachtige krachten als het nodlot, ofwel door zijn eigen passie of overmoed. 
    • antieke tragedie
      Bij de antieke Grieken stond de tragedie in hoog aanzien. Er werden een aantal eisen gesteld aan vorm en inhoud, geformuleerd door Aristoteles:
      • "Tragedie nu, [a] is een uitbeelding van een ernstige en afgeronde handeling van zekere omvang, [b] in verfraaide taal waarvan iedere soort apart voorkomt in de onderscheiden ]delen, [c] door mensen die bezig zijn met handelen en niet door een vertelling, [d] die door middel van medelijden en angst de bevrijding (bij de toeschouwers) bewerkt van dergelijke emoties." (uit: Poetica)
      • Om aan deze definitie te voldoen moet een klassieke tragedie zes elementen bevatten: schouwspel, zang, plot, karaktertekening, taal en denken. Plot betekent een logisch verloop van de handeling; dit is volgens Aristoteles de ‘ziel’ van de tragedie. Een goed tragediedichter merk je niet alleen aan een goed geschreven plot, maar ook aan de juiste karakterisering van de diverse personages. 
        De plot kent zijn eigen begrenzing: niet een vooraf vastgestelde tijdsduur moet de uitgebeelde handeling bepalen, maar een als van nature verlopend spel moet een logische afwikkeling vertonen met een begin, een midden en een einde. Een verdere eis is dat de dramatische eenheden worden toegepast.
        In het midden van het stuk hoort de wending (peripeteia). De hoofdpersoon ondergaat hier een onomkeerbaar verandering in zijn tragische situatie. 
      • uitbeelding [a] door handelende personen [c] is het voornaamste verschil met epiek
      • een afgeronde handeling [a] betekent: met ene begin, midden en einde, en rekening houdend met de dramatische eenheden
      • de handeling moet ernstig (anderen vertalen: edel) zijn [a]: de held is een edel mens die bewust, nl. door het goede te willen, zijn eigen ondergang veroorzaakt
      • de eindebedoeling van de tragediedichter is het bereiken van een reiniging of katharsis [d] bij de toeschouwers, die zich met de held identificeren
    • Renaissancetragedie (klassieke tragedie)
      In de Gouden Eeuw (17de eeuw) steunde de tragedie sterk op het Griekse voorbeeld maar het werd onderworpen aan een aantal eigen regels:
      • vijf bedrijven gescheiden door vier 'reien' of koorzangen
      • toepassen van de Aristotelische eenheden van plaats, tijd en handeling
  • komedie (blijspel)
    dit toneelstuk onderscheidt zich van de tragedie door een lachwekkende kijk op de mens en de realiteit van alledag, een lichtere intrige, een hoger speltempo en een gelukkig of blij einde
  • klucht
    kort, koddig blijspel dat vooral het publiek aan het lachen wil brengen; in tegenstelling tot de komedie wordt meestal gewerkt met types en niet met uitgewerkte personages

 

 

 

 

 

 

 

 

personage
  • personage
    rol, figuur, karakter in een toneelstuk (of verhaal)
  • protagonist
    de belangrijkste hoofdrolspeler in een Grieks toneelstuk; de held in het stuk
  • antagonist
    tweede van de drie hoofdrolspelers in een Grieks stuk: tegenspeler en soms directe tegenstander van de protagonist
  • tritagonist
    derde hoofdrolspeler bij de Grieken; zijn relatie tot beide anderen kan wisselen (oorzakelijk, verzoenend, aanscherpend)
  • bijfiguren
    minder belangrijke rollen die eigenlijk niet wezenlijk bijdragen tot de handeling van een stuk
  • deus ex machina
    persoon (of zaak) die als reddende engel plots op het toneel verschijnt en het conflict oplost

 

 

 

 

 

 

 

 

structuur
  • scène (tafereel)
    afgerond fragment van de handeling van een toneelstuk, gekenmerkt door dezelfde plaats, tijd en personages; in principe ontstaat en nieuwe scène dus door het opkomen of afgaan van personages 
  • klassieke tragedie
    een typische antieke tragedie kent volgende onderdelen:
    • prologos: het gesproken gedeelte vóór het optreden van het koor
    • parodos: het intochtslied (meestal in anapaesten: o o -), van het koor dat tot het einde toe op het toneel blijft
    • drie tot vijf epeisodia (akten) in dialoogvorm door de acteurs uitgevoerd, in jambische trimeters, driemaal o - o -
    • stasima, standliederen of reizangen van het koor die de tragedie in akten verdelen; een stasimon heeft steeds een vaste opbouw van strofe & antistrofe (metrisch met elkaar overeenstemmend), met als besluit een epode
    • exodos, het gedeelte na het laatste stasimon, waarbij het koor vertrekt en de tragedie (op het toneel althans) een einde heeft
  • Renaissancetragedie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

begrippen
  • bodebericht
    Een bode komt op het toneel om verslag te doen van wat zich elders afspeelt (noodzakelijk om de eenheid van plaats te kunnen bewaren)
  • eenheden
    •  van handeling: het drama heeft een aaneengesloten verloop
    • van plaats: het speelt zich of op één bepaalde plaats
    • van tijd: het speelt zich af tussen zonsopgang en -ondergang
  • katharsis
    De tragedie moet volgens Aristoteles de gevoelns medelijden en vrees oproepen en e-uiteindelijk leiden tot de bevrijding, zuivering of reiniging van deze gevoelens. Het medelijden geldt de personages (hun ongeluk of noodlot). Over wie de vrees geldt, lopen de meningen uiteen: sommigen denken ook de personages, anderen de toeschouwer zelf (hem kan immers hetzelfde gebeuren). Om deze emoties mogelijk te maken, moet de toeschouwer zich kunnen identificeren met de held en deze mag dus niet te ver van hem afstaan (niet werkelijk slechts maar ook niet volmaakt).
  • monoloog
    Een alleenspraak die door een personage wordt uitgesproken, vaak met als functie het publiek in te lichten: plannen meedelen, daden motiveren, situatie uiteenzetten