naar de startpagina

nl.lit
Vademecum  
 

naslag > vademecum nl.literatuur > verhaaltechniek
  
Verhaaltechniek

Bij het vertellen van een verhaal gebruikt een schrijver verschillende technieken. De keuze die hij maakt, hangt samen met en heeft ook invloed op de inhoud en de bedoeling van zijn verhaal en de structuur ervan.

verteller - vertelstandpunt - personages - begin - einde - tijd - motief - thema

Elementen
  • verteller
    degene die het verhaal zogezegd presenteert aan de lezer; zeker nier verwarren met de auteur of schrijver, die alles "bedenkt": de verteller is een onderdeel van wat de auteur construeert, dus van de structuur van het verhaal
    • ik-verteller
      het verhaal wordt verteld door een ik-figuur
      • handelend ik (ik-protagonist): de 'ik'-figuur is zelf de kern van de handeling
      • vertellend ik (ik-getuige): niet de 'ik' maar een ander personage staat centraal
    • hij-verteller
      het verhaal wordt verteld in de derde persoon
    • jij-verteller
      het verhaal wordt verteld in de tweede persoon
  • vertelstandpunt
    het standpunt van waaruit de verteller de gebeurtenissen en personages bekijkt
    • auctorieel
      de verteller staat buiten en boven de gebeurtenissen en weet alles van de personages en de gebeurtenissen
      • neutraal: het blijft bij een objectief presenteren van het verhaal
      • commentariërend: de verteller richt zich rechstreeks tot de lezer en geeft commentaar bij wat er gebeurt in het verhaal
    • personeel
      de gebeurtenissen worden rechtstreeks gepresenteerd door een of meer personages; de lezer ziet alles vanuit de optiek van dat personage en de verteller beperkt zijn kennis van personages en gebeurtenissen tot die van het gekozen personage
  • personages
    • flat character
      een personage dat zich in één zin laat samenvatten, dat de lezer helemaak kan doorgronden (eendimensioneel)
    • round character
      een complex personage dat niet zo maar te omschrijven, dat men vaak pas geleidelijk aan leert kennen (meerdimensioneel) en dat vaak in de loop van het verhaal innerlijk verandert
  • begin
    • ab ovo
      het verhaal wordt chronologisch verteld en begint daarom met een voorstelling van personages en situatie, een soort inleiding of voorgeschiedenis
    • in medias res
      het verhaal begint midden in de gebeurtenissen en de voorafgaande gebeurtenissen worden later in de vertelling geleidelijk duidelijk
  • einde
    • gesloten
      de gebeurtenissen zijn afgelopen, het probleem opgelost
      • happy ending: typisch voor bijv. sprookjes of 'stationsromannetjes'
      • surprise ending of pointe: typisch voor kortverhaal of short story
    • open
      de lezer blijft na het verhaal met een aantal vragen zitten, weet niet precies hoe de handeling uiteindelijk afloopt
  • tijd
    • vertelde tijd
      de tijdsduur van de gebeurtenissen in het verhaal; de tijd die beschreven wordt (uit te drukken in uren, dagen , jaren enz)
    • verteltijd
      de tijd die de schrijver nodig heeft om het verhaal te vertellen; de schrijftijd (uitgedrukt un aantal bladzijden)
    • tempo
      de verhouding tussen vertelde tijd en verteltijd
      • retardering: de vertelde tijd is korter dan de verteltijd, bijv. door het uitvoerig beschrijven van de gedachten van een personage
    • chronologie
      • chronologisch: de gebeurtenissen worden verteld in de volgorde waarin ze plaatsvinden
      • flash-back: terugblik die de loop van het verhaal doorbreekt
      • flash-forward: vooruitblik op toekomstige gebeurtenissen die de gewone loop van het verhaal verbreekt
  • ruimte
    met ruimtewerking bedoelen we niet alleen een beschrijving van de fysieke ruimte waarin een (deel van een) verhaal gesitueerd is, maar evengoed jaargetijde, weersomstandigheden enz.
    een ruimtebeschrijving heeft vaak een van beide volgende functies:
    • contrast: bijv. vrolijke lentetafereel bij een droevige inhoud
    • versterking: bijv. regentafereel bij een droevige passage
  • motief
    een verhaalelement (woord, zin, beeld, situatie) dat verschillende keren terugkomt, soms licht gewijzigd; dikwijls ook bij verschillende auteurs te vinden
    • leidmotief
      een motief dat letterlijk hetzelfde terugkeert en typisch wordt voor een personage of situatie
  • thema
    de hoofdgedachte, de grondidee waarover het verhaal handelt, het onderwerp; datgene wat de schrijver de lezer wil vertellen