| 8. van zinsdeel tot
zin |
|
|
 |
In de vorige lessen is altijd gesproken over zinsdelen en
zinsdeelstukken: het OND is bijv. een zinsdeel en een BVB een
zinsdeelstuk. Maar soms vormt een zo een zinsdeel op zichzelf ook een
kleine zin. |
|
De jongen die met de fiets kwam, miste de bus.
Als we deze zin ontleden, vinden we 'de jongen die te laat kwam'
als OND. Maar dit OND is zelf ook een zin. Ontleed hem maar en je
vindt dat hij bestaat uit een OND + BWBmiddel + PV. Daarom noemen we
hem een onderwerpszin.
|
|
Ook andere zinsdelen kunnen een zin op zichzelf vormen:
|
|
- De mensen die een ticket hebben, kunnen binnengaan
= onderwerpszin
- De agent doodde de hond die de baby had gebeten =
lijdendvoorwerpszin
- We reserveerden een plaats voor de deelnemers die
later arriveerden = meewerkendvoorwerpszin
- De leerlingen legden zich neer bij de beslissing
die de leraar hen meedeelde = voorzetselvoorwerpszin
- Toen de stemmen geteld waren, bleek niemand over een
absolute meerdergeid te beschikken = bijwoordelijke bijzin
- Dat is een vraag die niemand kan beantwoorden =
bijvoeglijke bijzin
|
|
Dit soort zinnen noemen we samengestelde zinnen.
|