|
 |
|
| plaats |
Waar? |
Je ziet Karel altijd in de buurt van Karla. |
| richting |
Waarheen? Vanwaar? |
Ze reisden samen naar het Verre Oosten |
| tijd |
Wanneer? Hoelang? |
's Morgens is het hier erg kalm. |
| wijze |
Hoe? |
Hij deed het op zijn dooie gemak. |
| middel |
Waarmee? |
Hij kwam met de fiets. |
| reden |
Waarom? (gaat vooraf aan de handeling) |
Ze vertrok omdat ze het feest saai vond. |
| oorzaak |
Waardoor? (gaat vooraf aan de handeling) |
De weg is glad omdat het sneeuwt. |
| doel |
Waarom? (volgt op de handeling) |
Ze vertrok om haar trein te halen. |
| voorwaarde |
Op welke voorwaarde? |
Ik zou blij zijn als je kwam. |
| |
|
|
|
Een BWB kan ook een zinsdeelstuk zijn, zoals de BWB van graad
in de volgende zin: |
|
In welke mate? Hoezeer? |
Het is erg jammer dat hij niet kan komen.
|