| 3. het lijdend voorwerp (LV) |
|
|
 |
Dit is het zinsdeel dat de handeling 'ondergaat' en
dat in de lijdende vorm OND wordt van de zin. |
|
Ik zie een grote rode bus. - Hij vertelde dat
hij een rode bus had gezien. |
|
|
 |
- Maak een wie/wat-vraag met OND + PV +
wie/wat: het antwoord erop is het LV
De jongen streelde het lieve, kleine hondje.
-> De jongen streelde wat? Het lieve, kleine
hondje
Zij zei dat ze hem niet meer geloofde.
-> Zij zei wat? Dat ze hem niet meer geloofde
- Zet de zin in de lijdende vorm:
het LV wordt OND van de passiefzin.
De gieren verslonden het kreng.
-> Het kreng werd verslonden door de gieren.
Hij betreurde dat ze te laat kwamen.
-> Dat ze te laat kwamen werd betreurd.
- Zet om in een naamwoordconstructie met van
Ze hebben een taart gegeten
-> het eten van een taart
Hij had een mooie fiets
-> het hebben van een fiets
We gaven Ans een cadeau
-> het geven van een cadeau (niet het geven
van Ans)
|
|
|
|
|