3. het lijdend voorwerp (LV)
 
Dit is het zinsdeel dat de handeling 'ondergaat' en dat in de lijdende vorm OND wordt van de zin.
Ik zie een grote rode bus. - Hij vertelde dat hij een rode bus had gezien.
 
  1. Maak een wie/wat-vraag met OND + PV + wie/wat: het antwoord erop is het LV
    De jongen streelde het lieve, kleine hondje.
    -> De jongen streelde wat?  Het lieve, kleine hondje
    Zij zei dat ze hem niet meer geloofde.
    -> Zij zei wat? Dat ze hem niet meer geloofde
  2. Zet de zin in de lijdende vorm: het LV wordt OND van de passiefzin.
    De gieren verslonden het kreng.
    -> Het kreng werd verslonden door de gieren.
    Hij betreurde dat ze te laat kwamen.
    -> Dat ze te laat kwamen werd betreurd.
  3. Zet om in een naamwoordconstructie met van
    Ze hebben een taart gegeten
    -> het eten van een taart
    Hij had een mooie fiets
    -> het hebben van een fiets
    We gaven Ans een cadeau
    -> het geven van een cadeau (niet het geven van Ans)