2. het onderwerp (OND)
 
Dit is het zinsdeel waarover iets wordt meegedeeld en dat in persoon en getal overeenkomt met de persoonsvorm.
Ik zie een grote rode bus - De grote rode bus stopt aan de bushalte - De bushalte op de hoek van de straat ligt er verlaten bij.
 
Maak van de zin een wie- of wat-vraag door wie of wat voor de PV te plaatsen: het antwoord daarop is het OND.
En toen zag Jantje pruimen hangen.
-> Wie zag toen pruimen hangen?  Jantje
Gisteren reed er een Jaguar door onze straat.
-> Wat reed er gisteren door onze straat?  een Jaguar
De kleine jongen en zijn oudste zus kregen van hun tante een mooie rode bal cadeau.
-> Wie kregen van hun tante een mooie rode bal cadeau?  de kleine jongen en zijn oudste zus
 
Er zijn ook nog enkele speciale soorten OND:
  • loos onderwerp: het in verband met een natuurgebeuren of een onbekende oorzaak of als men het OND niet wil aangeven 
    Het regent. Het spookte in het huis. Het lekt in de kelder.
  • voorlopig onderwerp: het als verwijzing naar het eigenlijke OND dat achteraan in de zin staat
    Het is belangrijk dat we op tijd vertrekken.
  • herhalend onderwerp: een herhaling van het OND door een betrekkelijk voornaamwoord
    Dat je komt, dat maakt me blij.
  • plaatsonderwerp: er als het op de positie van het OND staat, dus aan het begin van de zin of onmiddellij na de PV
    Er stond een advertentie in de krant - Gisteren stond er een advertentie in de krant.