|
|
||
| 2. het onderwerp (OND) | |
| Dit is het zinsdeel waarover iets wordt meegedeeld en dat in persoon en getal overeenkomt met de persoonsvorm. | |
| Ik zie een grote rode bus - De grote rode bus stopt aan de bushalte - De bushalte op de hoek van de straat ligt er verlaten bij. | |
| Maak van de zin een wie- of
wat-vraag door wie of wat voor de PV te plaatsen: het antwoord daarop is het OND. En toen zag Jantje pruimen hangen. -> Wie zag toen pruimen hangen? Jantje Gisteren reed er een Jaguar door onze straat. -> Wat reed er gisteren door onze straat? een Jaguar De kleine jongen en zijn oudste zus kregen van hun tante een mooie rode bal cadeau. -> Wie kregen van hun tante een mooie rode bal cadeau? de kleine jongen en zijn oudste zus |
|
Er zijn ook nog enkele speciale soorten OND:
|
|