| 1. de persoonsvorm
(PV) |
|
|
 |
Dit is het werkwoord dat in persoon (1ste, 2de,
3de) en getal (enk., mv.) overeenkomt
met het onderwerp en in een andere tijd kan worden
geplaatst. |
|
Ik heb limonade gedronken - Hij heeft limonade gedronken - Zij hebben
limonade gedronken |
|
|
 |
- Maak de zin vragend: de PV is dan het eerste woord van de
zin.
Hij had al een hele tijd alleen rondgelopen
-> Had hij al een hele tijd alleen
rondgelopen?
- Zet de zin in een
andere tijd: het woord dat verandert is de PV.
Komt hij altijd zo laat?
-> Kwam hij altijd
zo laat?
|
|
Er zijn verschillende soorten werkwoorden: |
|
- zelfstandig werkwoord
- heeft op zichzelf betekenis
- kan alleen of met een hulpwerkwoord + een OND een
volledige en juiste zin vormen
- proef: je kan het door andere werkwoorden vervangen
Jan loopt - Jan zwemt - Jan heeft gekocht -
Jan is gekomen
- niet-zelfstandig werkwoord: staat niet alleen in de zin
- hulpwerkwoord wordt gebruikt om een zelfstandig
werkwoord te vervoegen
- in een voltooide tijd: Zij hebben geholpen
- in de lijdende vorm: Het plan werd goedgekeurd
- koppelwerkwoord heeft altijd een GEZ nodig
|
|
het gezegde (GEZ) |
 |
is een naamwoordelijk zinsdeel dat een
noodzakelijke aanvulling vormt bij een koppelwerkwoord dat als PV
wordt gebruikt. |
|
Haar plan is geniaal - De uitvoering ervan is niet
makkelijk - Dat wordt nog een hele klus |
|
|
|
N.B.: Deze traditionele opvatting van het GEZ wijkt af van
die in moderne grammaticaboeken. Lees hier
waarom. |
|
|