opmerking over het gezegde 
 
 
In de moderne Nederlandse taalkunde worden er twee soorten van gezegde onderscheiden:
het werkwoordelijk gezegde bestaat uit de persoonsvorm plus eventueel andere werkwoordsvormen waarmee de persoonsvorm een samenhangend geheel vormt.
De kern is een zelfstandig werkwoord.
Ik had je eerder moeten schrijven.
Daarbij rekenen we ook onweglaatbare delen zoals:
  • wederkerige voornaamwoorden
    Ik heb me vergist
  • vaste aanvullingen bij het werkwoord
    Hij haalde ons in
  • werkwoordelijke uitdrukkingen
    Zij heeft het hoofd verloren
het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord aangevuld met een naamwoordelijk deel.
De koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, lijken, blijken, blijven, schijnen, heten, dunken, voorkomen.
Het naamwoordelijk deels is een noodzakelije aanvulling bij het koppelwerkwoord.
Het naamwoordelijk deel kan o.a. zijn:
  • adjectivisch
    Het wordt warm
  • substantivisch
    Het leek een mooie mogelijkheid
  • prepositioneel
    Zij scheen in de war
  • verbaal
    Het bleek niet te doen
Bij de studie van (klassieke en moderne) vreemde talen wordt deze definitie van gezegde helemaal niet gebruikt, maar verstaat men onder gezegde eigenlijk het naamwoordelijk deel van een naamwoordelijk gezegde. In de traditionele Nederlandse taalhandboeken werd dezelfde betekenis gebruikt. Omdat al onze leerlingen minstens twee vreemde talen moeten leren, is ervoor gekozen om  de traditionele definitie van gezegde aan te houden. Op die manier heeft het begrip in alle taallessen dezelfde betekenis.