enkele grammaticale begrippen 
 
Alles draait natuurlijk om het begrip zin.
 Een zin is een reeks woorden die samen één volledige en samenhangende taaluiting vormen. Iedere zin heeft normaal een onderwerp en een werkwoord, maar in een bevelende zin staat geen onderwerp.
Dit zijn de soorten:
  • mededelende zin: Jan rijdt met zijn nieuwe fiets naar school
  • vragende zin
    • ja/neen-vraag: Rijdt Jan met de fiets naar school?
    • vraagwoordvraag: Wie rijdt met de fiets naar school?
  • uitroepende zin: Kijk, hij rijdt op de fiets !
  • bevelende zin: Neem die fiets ! Rij erop !
Een zin valt uiteen in zinsdelen.
Een zinsdeel is een woord of een groep woorden die samenhoren en die in een zin één bepaalde functie hebben, bijv. onderwerp, lijdend voorwerp, bijwoordelijke bepaling.
Bij zinsontleding is het nodig om de verschillende zinsdelen uit elkaar te halen.
Dit noemen we het verdelen in zinsdelen.
We gebruiken daarvoor de verplaatsingsproef.

Probeer de verschillende delen van de zin voor de persoonsvorm te zetten. Alles wat je in zijn geheel voor de persoonsvorm kan plaatsen, vormt een zinsdeel. De persoonsvorm zelf is ook een zinsdeel.
Jan rijdt met de fiets - Met zijn nieuwe fiets rijdt Jan - Naar school rijdt Jan  ->  Jan / rijdt / met zijn nieuwe fiets / naar school

Soms bevat een zinsdeel nog afzonderlijke zinsdeelstukken.
Een zinsdeelstuk is een woord of groep woorden die een eigen functie hebben in de zin (meestal een bepaling) maar die een onderdeel zijn van een zinsdeel.

Volgens de verplaatsingsproef is zijn nieuwe geen apart zinsdeel, maar ze vormt een bijvoeglijke bepaling die deel uitmaakt van de bijwoordelijke bepaling met zijn nieuwe fiets.