| |
|
|
|
| Bij de meeste woorden is het niet moeilijk om te weten of je een
-d of een -t moet schrijven aan het einde. |
| |
mond (mv. monden) - rand (mv.
randen) - pad (mv. paden) - blad (mv. blad/bladeren) - kind (mv.
kinderen)
rat (mv. ratten) - lint (mv. linten) - krant (mv. kranten) -
noot (mv. noten) - restant (mv. restanten)
goed (de goede man) - blond (de blonde vrouw) - groot (de grote
man) - bont (de bonte stoet) |
| |
| Maar in sommige gevallen gaat het vaak
mis: |
|
|
| |
- de persoonsvorm van een werkwoord in de O.T.T.
- de verleden tijd (O.V.T.) van het werkwoord
- het voltooid deelwoord van een werkwoord
- een deelwoord dat gebruikt is als adjectief of
bijvoeglijk naamwoord
|
| Toch zit er in ieder van die gevallen een
duidelijke en vaste redenering achter de manier waarop de
woorden geschreven worden. Als je die redenering (of regel) kent,
kan je makkelijk zonder fouten schrijven. |
| |
|
|
|