d of t  

 probleemgevallen
       
Bij de meeste woorden is het niet moeilijk om te weten of je een -d of een -t moet schrijven aan het einde.
  mond (mv. monden) - rand (mv. randen) - pad (mv. paden) - blad (mv. blad/bladeren) - kind (mv. kinderen)
rat (mv. ratten) - lint (mv. linten) - krant (mv. kranten) - noot (mv. noten) - restant (mv. restanten)
goed (de goede man) - blond (de blonde vrouw) - groot (de grote man) - bont (de bonte stoet)
 
Maar in sommige gevallen gaat het vaak mis:    
 
  1. de persoonsvorm van een werkwoord in de O.T.T.
  2. de verleden tijd (O.V.T.) van het werkwoord
  3. het voltooid deelwoord van een werkwoord
  4. een deelwoord dat gebruikt is als adjectief of bijvoeglijk naamwoord
Toch zit er in ieder van die gevallen een duidelijke en vaste redenering achter de manier waarop de woorden geschreven worden. Als je die redenering (of regel) kent, kan je makkelijk zonder fouten schrijven.