| |
|
 |
We kennen regelmatige of zwakke werkwoorden
en onregelmatige of sterke werkwoorden. Dit onderscheid
heeft te maken met de manier waarop we ze vervoegen. |
| |
| |
Regelmatige of zwakke werkwoorden worden
via volgens algemene regels vervoegd, d.w.z. dat bij ieder van
deze werkwoorden eenzelfde vorm op dezelfde manier wordt gemaakt. |
| |
- O.V.T. = stam + DE(N) of stam + TE(N)
- voltooid deelwoord = GE + stam + D of T
|
| |
wachten
- wachtte - gewacht
tekenen - tekende - getekend |
merken -
merkte - gemerkt
zuchten - zuchtte - gezucht |
krassen
- kraste - gekrast
hijgen - hijgde - gehijgd |
|
| |
|
| |
Onregelmatige of sterke werkwoorden worden
niet vervoegd volgens regels. Ieder werkwoord heeft zijn eigen,
typische vormen, die je vaak alleen kan weten door ze uit het
hoofd te leren |
| |
kijken -
keek - gekeken
slapen - sliep - geslapen
trekken - troke - getrokken |
vragen -
vroeg - gevraagd
slaan - sloeg - geslagen
spreken - sprak - gesproken |
houden -
hield - gehouden
sluiten - sloot - gesloten
hangen - hing - gehangen |
|
| |
|