| |
|
 |
Als het onderwerp ik is, nemen we de
stam van het werkwoord. Maar: die kan nooit met een -v of -z
aan het einde geschreven worden. Dus: de stam "verv" (van
"verven") schrijven we "verf" ! |
| |
Ik zie de
straat. Ik hoor de auto's. Ik vind ze lawaaierig.
Ik brand van ongeduld. Ik stort bittere tranen.
Vormen zoals de volgende zijn dus
onmogelijk in het Nederlands: ik ziet, ik hoort, ik zegt |
| |
|
1ste persoon enkelvoud: STAM |
|
 |
Als het onderwerp jij voor de persoonsvorm
staat, schrijven we een t achter de stam, behalve als de
stam al eindigt op een t. |
| |
Jij hoort het lawaai. Jij
leidt de kinderen de straat over. Jij zet ze aan om
voorzichtig te zijn. |
| |
Als het onderwerp jij na de persoonsvorm
staat, schrijven we de stam van het werkwoord. Er komt geen
t bij. |
| |
Hoor je het ook? Leid
jij de kinderen naar de auto? Start je de motor? |
| |
2de persoon enkelvoud: STAM + T
behalve
als de stam eindigt op T
of als jij achter de persoonsvorms staat |
|
 |
Als het onderwerp hij/zij/het is of je het
onderwerp kan vervangen door hij/zij/het, schrijven we een t
achter de stam, behalve als de stam al eindigt op een t. |
| |
Hij komt te laat. Zij redt
het wel alleen. Jan spelt het woord fout. Mieke speldt
ons iets op de mouw. |
| |
3de persoon enkelvoud: STAM + T
behalve
als de stam eindigt op T |
|