![]() |
|
Anker studiewijzer |
|
|
| 4. Instuderen van leerstof | ||||
| |
||||
- Studeren kan niet zonder lezen.
Lezen is heel belangrijk omdat het de basis vormt van heel het leerproces. De leerstof goed lezen is niet zo eenvoudig.
- Dikwijls leest men wat men denkt dat er staat. Dus wat je leest, staat er niet echt, je denkt alleen maar dat het er staat. Hoe kan dat? Meestal komt dat omdat je het geschrevene te vlug beoordeelt, omdat je het geschrevene te oppervlakkig leest. Veel voorkomende fouten zijn:
- het niet lezen van ontkenningen
- verkeerde interpretatie van voegwoorden
- onnauwkeurige lezing van de lidwoorden
- Lezen kan op verschillende manieren gebeuren. Niet alles moet bij de eerste lezing begrepen zijn. Dat hangt af van de manier waarop je de leerstof aanpakt. Men onderscheidt:
- diagonaal lezen: dwars over de bladzijden gaan met de bedoeling iets op te frissen of iets speciaals te zoeken;
- snellezen: alles lezen in een hoog tempo, niet zozeer om te begrijpen, wel om een overzicht te krijgen, gedachten op te frissen;
- skimmend lezen: aan een hoog tempo lezen, maar vooral titels, inleidingen en eindpunten van paragrafen en alinea's, met als doel een overzicht te krijgen van wat er in het geheel staat;
- intensief lezen: alles traag lezen met de bedoeling alles wat in de tekst staat grondig op te nemen.
- Skimmend lezen en intensief lezen worden vooral gebruikt door het jaar.
Snellezen en diagonaal lezen zijn heel belangrijk in de examenperiode.
De meeste leerlingen zijn enkel vertrouwd met intensief lezen. Skimmend lezen wordt meestal verwaarloosd.
- Begrijpen wat er staat, is gewoon zin per zin de betekenis achterhalen tijdens het lezen.
- Leer geen zaken van buiten in een tekst die je niet of maar half begrijpt. De betekenis van moeilijke woorden vind je in een woordenboek. Een zin die je niet begrijpt kan door een medeleerling of door de leerkracht ‘vertaald' worden.
- Iets leren zonder dat je het begrijpt onthoud je niet lang en je komt onvermijdelijk in de problemen als je vragen naar inzicht en toepassing krijgt op een toets.
- Betrekkelijk veel leerlingen menen dat zij de leerstof kennen als zij alles begrijpen.
"Ik kan goed volgen", zeggen ze, " ik versta alles". Tijdens het studeren zitten ze braaf boven hun boeken gebogen en lezen en herlezen de leerstof. Dé vraag luidt evenwel of zij de leerstof ook kunnen weergeven, wanneer zij hun boek dichtslaan. De leerstof herkennen ("Ah, ja") is namelijk niet voldoende. Alleen maar globaal, oppervlakkig kennen is niet genoeg. Leerstof zelf formuleren, omdat je ze begrijpt, is nog iets anders.
- Een tekst studeren betekent meer dan hem proberen te begrijpen. Je moet de tekst ook proberen te onthouden. Dit betekent dat je de tekst eerst moet structureren.
- Je moet de kernpunten en de verbanden ertussen (de rode draad, de hoofdlijnen) uit een tekst halen.
- Je moet verbanden leggen tussen wat er in de tekst staat en wat je er al over weet vanuit de les, eigen lectuur, tv, andere vakken, enz.
- De kernpunten en de verbanden ertussen kun je uit een tekst halen door bepaalde technieken toe te passen, bijvoorbeeld:
- onderstrepen/overstrepen: met een markeerstift onderstreep/overstreep je de belangrijke punten in een tekst. Onderstreep/overstreep geen volledige zinnen, maar enkel kernwoorden of woordengroepen. Het onderscheid tussen zeer belangrijke en minder belangrijke punten kun je aanbrengen door een andere kleur of streep te gebruiken.
- aantekeningen maken: kernwoorden, verkorte zinnen aanbrengen op een apart blad. Je kunt ook indelingstekens, sterretjes, pijltjes, enz. in de kantlijn van de tekst zelf aanbrengen. Deze aantekeningen zijn zeer nuttig als "kapstokken" voor je geheugen. Aan deze kapstokken kun je later de details ophangen.
- vragen stellen en beantwoorden: jezelf vragen stellen over de kernpunten in de tekst en de verbanden ertussen. Stel zowel weetvragen als denkvragen. Vraaf je af welke vragen men kan stellen op een toets.
- skimmen: de sleutelbegrippen uit een tekst halen en de verbanden ertussen weergeven door middel van tekens. Bijvoorbeeld een pijl om een ‘oorzaak - gevolg' verband weer te geven.
- samenvattingen maken: de belangrijkste punten en de verbanden ertussen weergeven door middel van volzinnen die een samenhangend verhaal vormen.
- Een structuur vind je niet in één keer: dat vergt tijd en inspanning. Door de studie van de leerstof kan de structuur gewijzigd worden. Meestal maakt men daarom een onderscheid tussen een voorlopig structuurschema en een definitief structuurschema.
- Een definitief structuurschema kun je pas opstellen na een intensieve lezing.
- Een voorlopig structuurschema kan al na het skimmend lezen.
- Leerstof moet je niet steeds op dezelfde manier studeren. Je moet rekening houden met:
- het soort vragen dat je kunt verwachten op een toets (bv. overzichtsvragen of detailvragen; weetvragen of inzichtsvragen)
- je eigen leerstijl (bv. het zien van bepaalde schema's, onderstrepingen; het horen van jezelf als je luidop nagaat wat je van de tekst begrepen en onthouden hebt; het schrijven van belangrijke zaken op papier).
- de moeilijkheidsgraad van een tekst (aan een moeilijke tekst moet meer tijd besteed worden).
- Velen leren onregelmatig, dat wil zeggen, dat zij niet iedere keer hun les leren. Als zij dan straks voor een grote controletoets studeren, worden zij pas voor het eerst met de eigenschappen van de leerstof geconfronteerd.
Die moeilijkheden zijn dan :
- zijn mijn aantekeningen volledig en duidelijk?
- waarom krijgen wij deze leerstof? Hoe belangrijk is deze leerstof (voor dit trimester, dit schooljaar, voor later)?
- wat kan ik ermee doen? Is dit basis- of extra leerstof? Moet ik dit absoluut onthouden, ook voor de volgende schooljaren?
- De leerstof verwerken is de volgende stap.
Leerstof verwerken betekent de integratie ervan in het eigen kennen en kunnen.
Je gaat vergelijken, verbanden leggen met reeds aanwezige kennis, met de praktijk, met de realiteit. De nieuw opgenomen kennis wordt daardoor in een breder geheel geïntegreerd.
- Toepassen wil dan zeggen dat je de opgedane kennis kan gebruiken.
Je kennis gebruik je om nieuwe zaken te ontdekken, andere gezichtspunten in te nemen, nieuwe vormen te ontdekken, onduidelijke constructies te vervolledigen, verbanden te leggen, problemen op te lossen ...
Een opvallende manier van toepassen is het maken van oefeningen.
Voor heel wat leerlingen betekent studeren hetzelfde als uit het hoofd leren of memoriseren.
Je kunt er goede resultaten mee halen als het om een beperkte leerstof gaat. Maar als de leerstof omvangrijker en vooral ingewikkelder wordt, is memoriseren als enige studiemethode uitgesloten. Uit het hoofd leren is immers slechts een onderdeel van het studeren.
Het meeste geheugenwerk doe je tijdens de examenperiode. Tijdens het jaar te veel memoriseren kan tijdrovend zijn en kan je ontmoedigen omdat je blijkbaar toch veel vergeet. Bovendien loop je het gevaar te vlug te willen memoriseren, zodat het begrijpen en verwerken verwaarloosd worden. Je mag niet vergeten dat je tijdens het maken van overzichten, het structureren, het herlezen en het herwerken ook bezig bent met memoriseren. Sommige belangrijke zaken, of vrij moeilijke gegevens, die je vaak nodig hebt tijdens het jaar kan je wel memoriseren. Regel is dan wel dat je deze gegevens regelmatig gedurende korte perioden doorneemt. Soms hoor ik leerlingen zeggen: "Ik kan niet goed onthouden en daarom haal ik slechte cijfers". Iedere maandag weten ze echter alles over het voetbal: de uitslagen, de rangschikking, de doelpuntenmakers, enz. Meer nog: ze weten ook nog de uitslagen van de voorbije weken, maanden en misschien zelfs jaren. Ze komen aandragen met verhalen over grootse matchen uit vervlogen tijden. Die verhalen, ook die uitslagen, zitten heel gestructureerd in het hoofd. Ze worden niet vergeten omdat men er voortdurend mee bezig is! Andere leerlingen hoor ik honderduit vertellen over films die ze hebben bekeken of over avontuurlijke reizen die ze hebben ondernomen. Waarom onthouden ze die films en reizen wel en wat ze in de klas leren niet of zeer moeilijk? De mens gebruikt zijn geheugen om informatie in te prenten, op te slaan en terug op te halen.
Het inprenten gebeurt via het zintuiglijk geheugen: je hoort, ziet en doet van alles. Voor ieder persoon ligt de klemtoon anders: de een onthoudt beter als hij/zij iets gezien heeft, een ander als hij/zij iets gehoord heeft, een derde als hij/zij iets gedaan heeft. Inspelen op dit gegeven is nuttig bij het memoriseren. Je geheugen kan dus ondersteund worden door:
het zicht: werken met kleuren, symbolen, tekeningen. Voorafgaande voorwaarde is: goede aantekeningen hebben! Een bladzijde, waarin geen enkel woord onderstreept wordt, zal minder gemakkelijk onthouden worden dan wanneer er woorden worden onderstreept en/of met kleurpotloden wordt gewerkt. Zo'n bladzijde wordt minder vlak, ze krijgt profiel en precies langs de inkleuring onthou je gemakkelijker de inhoud. het gehoor: actief opletten in de les, tijdens het leren de les opzeggen, discussiëren met medeleerlingen ... Sommige leerlingen moeten luidop leren. Er zijn er ook die samen met anderen leren. Daarbij kan veel tijd verloren gaan, zeker als het samen leren uitmondt in samen giechelen en samen afgeleid zijn. Maar het hoeft zo niet te zijn: het auditief geheugen kan een vruchtbaar redmiddel zijn voor moeilijk te onthouden leerstof. Je ziet leerkrachten er ook wel gebruik van maken, bijvoorbeeld als ze moeilijke leerstof uitleggen aan de hand van een verhaaltje. de motoriek: opschrijven, thuis de les opzeggen en ondertussen gebaren maken, tijdens het opzeggen op en neer lopen ... Kleuters en lagere schoolkinderen maken ervan gebruik om versjes en dies meer van buiten te leren. Middelbare scholieren leren soms door de leerstof enkele keren over te schrijven. De zintuiglijke informatie verdwijnt zeer snel en wordt dan vergeten of gaat naar het korte-termijngeheugen. Dit geheugen heeft drie eigenschappen:
- de informatie kan gedurende langere tijd worden vastgehouden, op voorwaarde dat er herhaling is.
- het heeft een beperkte capaciteit
- het is het geheugen waarmee je werkt. Bij het studeren zorgt dit systeem voor het inprenten van de leerstof en het goed doorsturen ervan naar het lange termijngeheugen
Het lange-termijngeheugen dient om de gegevens vast te houden die op een bepaald ogenblik niet direct nodig zijn of niet permanent onder de aandacht moeten blijven. Met andere woorden het dient niet alleen voor een toets ‘s anderendaags, maar ook voor een jaar nadien of zelfs veel later. De beperkte capaciteit van het korte-termijngeheugen heeft consequenties naar de manier waarop we informatie inprenten om te onthouden. Tijd en herhaling zijn daarbij van groot belang. Vooral voor leerstof zonder veel samenhang is gespreid memoriseren aan te raden. Ga altijd eerst na wat je echt uit het hoofd moet leren en wat niet, en waarom dit zo is. Inzicht en begrip leiden vaak tot betere resultaten dan al die van buiten blokkerij. Maak verder handig gebruik van hulpmiddeltjes, zoals schema's en ezelsbruggetjes.
Het vraagt een inspanning om dingen te onthouden.
Eerst moet je je concentreren op wat je precies moet onthouden. Vervolgens moet je je echt willen herinneren, anders lukt het niet! Je kunt dingen beter onthouden als je begrijpt wat je probeert te onthouden. Als je de woorden niet begrijpt die je in je geheugen opslaat, zul je ze niet erg lang kunnen onthouden en - erger nog - je zult ze nooit kunnen gebruiken/ toepassen. Probeer daarom niet alles te onthouden, enkel de belangrijkste dingen. En probeer telkens het geleerde in je eigen bewoordingen te formuleren.Hier zijn tips die je helpen om dingen beter te onthouden:
- Soms helpt het om dingen hardop te zeggen. Dit geldt vooral voor iemand met een auditief geheugen. Dat is iemand die de dingen beter kan onthouden als hij ze gehoord heeft.
- De meeste mensen onthouden de dingen beter als ze ze steeds weer opnieuw horen of zien. Daarom helpt het als je de dingen die je absoluut wil onthouden inspreekt op je cassetterecorder of aanbrengt op de kalender van je computer.
- Als je iets leest dat je wil onthouden, sluit dan je ogen en herhaal hardop, net of je tegen iemand anders zit te praten.
- Sommige mensen kunnen de dingen beter onthouden als ze ze eerst opschrijven.
Maak lijstjes van alles wat je niet mag vergeten. Om je geheugen een beetje te helpen kun je een voorraad notitieblaadjes aanleggen en berichtjes schrijven die je her en der neerlegt of ophangt.
Hang bijvoorbeeld een briefje op de deur van je slaapkamer om je te helpen onthouden wat je allemaal moet meenemen naar school.- Tekeningen of beelden kunnen je helpen informatie te onthouden.
Een eenvoudig diagram of een gekke tekening kunnen zelfs nog beter helpen.- Om namen te onthouden probeer je de naam of een deel ervan te associëren met iets wat je gemakkelijk kunt onthouden.
Bijvoorbeeld: de hoofdstad van Spanje is Madrid. Pa en Ma horen bij elkaar.- Als je een nieuw woord moet leren, zoek dan een ander woord of zin die gelijkaardig klinkt. Bijvoorbeeld: om het verschil te onthouden tussen stalactieten en stalagmieten denk je maar eens aan je Frans. Bij stalactieten hoor je een T en denk je aan tomber, naar beneden vallen. Stalactieten zijn hangende druipstenen. Bij stalagmieten hoor je de M van monter. Stalagmieten zijn staande of opgaande druipstenen.
- Je kunt de dingen die je moet onthouden ook zingen. Zeker op de lagere school zul je moeilijke dingetjes weleens via een liedje of refreintje hebben aangeleerd. Zo gaat het ook met talen leren. Veel jongeren leren woorden en zinnen maken door beroep te doen op hun kennis van liedjes uit de hitlijsten.
- Dingen die je moet onthouden of die je snel moet kunnen zien, kun je beter op een logische manier groeperen.
° ° ° ° ° °° °° °°
°°° ° Hoeveel stippen °° °° °°
° ° ° links en rechts ?
Let wel, zo kun je ook omspringen met je aantekeningen. Hoe zijn jouw aantekeningen: slordig en chaotisch of netjes en overzichtelijk?- De beste geheugensteuntjes zijn die welke je zelf bedenkt. Hoe gekker hoe beter! Dat zijn degene die je het best zult onthouden. Bijvoorbeeld: Hoe weet je hoe je de klok moet draaien bij de wisseling tussen de zomer - en wintertijd? In de lente (Spring in het Engels) ‘spring' je vooruit, in de herft (Fall in het Engels) ‘vallen' je, ga je er dus op achteruit.
- Maak ezelsbruggetjes. Dat zijn geheugensteuntjes, "bruggetjes" die je over een gat in je geheugen kunnen helpen. Bijvoorbeeld: Een Aap Zag Andere Apen Apen Naäpen. Dit zinnetje helpt je de namen van de continenten te onthouden: Europa, Azië, Zuid - Amerika, Afrika, Australië, Antarctica en Noord - Amerika.
Vergeten betekent dat de opgedane informatie weer verloren gaat.
- Je vergeet door de tijd die je geheugensporen doet vervagen en verbleken.
Een juist tijdsinterval tussen je leerfase en je testfase is van belang. Kleine onderdelen van de leerstof kun je vlak voor de toets leren, grote gehelen moet je leren en van tijd tot tijd herhalen. Je herhaling mag niet te vroeg, maar ook niet te laat komen om beter te onthouden.- Je vergeet ook door wat men afleiders noemt. De oude opgeslagen informatie verdwijnt niet echt, maar wordt overschaduwd door nieuw ingeprente informatie.
- Onderzoek toont aan dat wat je leert voor je naar bed gaat, vierentwintig uur later minder vergeten blijkt te zijn, dan wat je ‘s ochtends leert en waarna je allerlei dagactiviteiten ontplooit. Rust, slaap en ontspanning helpen de leerstof bezinken.
- Tijdens het memoriseren kun je regelmatig afgeleid worden door je geliefkoosd radioprogramma of je favoriete muziek. Concentratie en een omgeving die niet afleidt is dus de boodschap !
- Wat kun je allemaal doen om minder snel te vergeten?
- Gun de tijd geen kans en herhaal regelmatig.
- Concentreer je tijdens het memoriseren.
- Recupereer na het studeren.
- Combineer in je planning een afwisseling van leervakken
(bijvoorbeeld beginnen met vakken die je niet graag studeert en eindigen met je lievelingsvak)